Religieonderzoek door gelovige wetenschappers?

Opinie stuk voor website Geloof en Wetenschap Forum C 

Eerlijk gezegd vind ik discussies van christenen over geloof en wetenschap niet zo boeiend. Debatten over schepping en evolutie interesseren me meer als antropoloog als object van onderzoek: wie voert de discussie, wat voor argumenten, wat staat er volgens de woordvoerders op het spel en waarom is het (nu) een issue?

Als religieonderzoeker is de relatie tussen geloof en wetenschap een gegeven. Tijdens mijn onderzoek naar evangelische kerken in Nederland is mij deze vraag herhaaldelijk gesteld, zowel door collega wetenschappers als gelovigen.

Binnen de antropologie is dit een bekende discussie in relatie tot de vraag naar de insider/outsider positie van de onderzoeker bij onderzoek. Wie is het meest gekwalificeerd om religie te begrijpen: een seculiere of een religieuze onderzoeker? De objectieve ‘outsider’ die wellicht onvoldoende in staat is om de ervaringen van gelovigen te begrijpen  of de subjectieve ‘insider’ die gelovigen van binnenuit begrijpt maar geen afstand kan bewaren ten aanzien van het onderwerp?

Het idee van een neutrale, objectieve onderzoeker is in de antropologie passé. In zowel de observaties als in de interpretaties van onderzoekers is het een illusie dat de eigen subjectiviteit van de onderzoeker volledig uit te bannen is. Intersubjectiviteit, samenwerking met collega-onderzoekers  is daarom essentieel om bv. blinde vlekken te vermijden en persoonlijke agenda’s te ontmaskeren. Samenwerking tussen atheïstische, agnostische  en gelovige onderzoekers is daarom uitermate vruchtbaar en noodzakelijk. Dit impliceert dat de status van wetenschappelijke kennis  niet primair ligt in haar waarheidsvinding maar in de uitkomst van een debat, een ‘ongoing conversation’ tussen wetenschappers. Dit debat is zeker spannend als religieonderzoekers een sterk reductionistische visie op religie hanteren, d.w.z., een opvatting dat religie volledig te verklaren is door sociale en niet-religieuze verschijnselen. Voor mij is het juist de uitdaging om in religieonderzoek de menselijke en sociale aspecten van religie zo goed mogelijk te verhelderen en in kaart te brengen maar daarbij ruimte te laten voor datgene waar ik wetenschapper geen uitspraak over kan doen. Dat is wetenschap bedrijven in het besef van een open werkelijkheid, waarin de Geest van God betrokken aanwezig is.

Anders dan in de exacte wetenschappen leent antropologie zich niet goed voor een positivistische opvatting van wetenschap. Kwalitatief onderzoek is in de eerste plaats interpretatief van aard  en laat zich niet uitdrukken in harde cijfers, causale verbanden en feiten. Antropologisch onderzoek biedt daarom niet een wetenschappelijke verklaring voor de werkelijkheid maar wel meer inzicht in de werkelijkheid door beleving, ervaringen en motieven voor gedrag en handelen te onderzoeken. De onderzoeker staat daarom nooit volledig buiten het  object van zijn of haar onderzoek.

In de praktijk van religieonderzoek speelt de positie van de onderzoeker een belangrijke rol. In een onderzoek naar evangelicals in de VS schrijft Susan Harding hoezeer zij als ‘outsider’ object van bekering was voor haar respondenten. In de interviews probeerde de respondenten haar ervan te overtuigen dat zij niet toevallig dit onderzoek deed maar dat God er een bedoeling mee had. Haar positie als niet-gelovige had grote consequenties voor het verkrijgen van haar onderzoeksmateriaal. In mijn onderzoek als ‘insider’ had ik te maken met heel andere kwesties. Mijn vraagstelling en  wijze van participatie leidde in het onderzoeksveld regelmatig tot verwarring. Ik vroeg naar kwesties die ik als ‘gelovige’ hoorde te weten waardoor mijn positie als gelovige in twijfel werd gebracht.  De percepties van de respondenten ten aanzien van de geloofsovertuigingen van de onderzoeker –  wel of niet gelovig – zijn dus van groot belang in religieonderzoek.

Als antropoloog en theoloog valt het mij op dat het debat over geloof en wetenschap met name gevoerd wordt door exacte wetenschappers die zich moeten verhouden tot een positivistische wetenschapsopvatting. De apologetische verantwoording van hun geloof wordt vooral binnen deze positivistische werkelijkheid getrokken. Daar gaat naar mijn overtuiging iets wezenlijks mis. Juist de vooronderstellingen van een dergelijke wetenschapsopvatting en visie op de werkelijkheid met het daarbij horend waarheidsbegrip, moeten kritisch beoordeeld worden. Dan wordt het debat over geloof en wetenschap voor mij pas echt relevant.

Tim Keller in Berlijn 2011

City to City Conference Berlin 2011

Tim Keller laat zich moeilijk in een hokje plaatsen. Naast zijn rol als predikant van de Redeemer Presbyterian Church in Manhattan NY en uitermate productieve schrijver van theologische boeken, is hij is één van de gezichtsbepalende theologen van de The Gospel Coalition, een netwerk van (mannelijke) theologen die een herformulering van een conservatieve vorm van calvinistische evangelicale theologie voorstaan. Keller plaats zich daarom in het rijtje van bekende namen als John Piper, Alfred Mohler, D.A. Carson en (ex-emerging) Mark Driscoll. Eén van de voor mij opmerkelijk standpunten van de Gospel Coalition is de afwijzing van de vrouw in het ambt. De speelruimte voor leidinggevend posities van vrouwen binnen de kerk is beperkt tot het diakenschap.

Keller’s openingslezing over de vraag ‘what is the gospel’ heeft me verrast. Eén manier om deze vraag te beantwoorden is door te kijken naar de betekenis van het evangelie voor het individu, meent Keller. Refererend aan Luther gaat het om de vraag hoe de mens verzoend kan worden met God. Het beantwoorden van deze vraag kan op twee manieren ontsporen, enerzijds door een nadruk op moralisme, anderzijds door te verzanden in relativisme.

Maar een tweede wijze om de vraag ‘wat is het evangelie’ te beantwoorden heeft betrekking op de vernieuwing van de wereld en op het koninkrijk van God. Het gaat daarbij dus niet over het individu. Ook hier probeert Keller uitersten te vermijden door het bij elkaar houden van zowel de komst van het koninkrijk van God als het nog niet volledig aanbreken van het koninkrijk, beter bekend als de spanning tussen het ‘already’ en ‘not yet’. Uiteindelijk gaat het om de herschepping van de wereld in de toekomst. Ik hoorde hier vooral de theologie van NT Wright op de achtergrond.

Deze mix bij Keller van puriteinse invloeden van Jonathan Edwards, een reformatorische calvinistische geïnspireerde verzoeningsleer en een ‘Wrightiaanse’ visie op het koninkrijk van God leidt tot een nuchtere en praktische theologie die zich niet goed laat indelen bij de verschillende groepen en stromingen binnen het evangelicalisme . Ook Keller’s radicale visie op de taak van de kerk met betrekking tot de armen, weduwen en wezen, en immigranten  draagt daaraan bij. Hoewel het ‘woord’ prioriteit heeft, is het volgens Keller niet optioneel om als je als kerk in zetten voor sociale gerechtigheid. Sterker nog,  Keller meent dat de kerk absoluut niet geloofwaardig is als woorden en daden niet samengaan (met dank aan Jacobus).

Contextualisatie is een veel gebruikte term bij Keller. Ook hier gaat het over een balanceren tussen  uitersten: enerzijds een positie van ‘overadapting’ ten aanzien van de cultuur, anderzijds een houding van ‘hostility’, een vijandige houding ten aanzien van de cultuur. In ons verstaan van het evangelie moeten en kunnen we leren van de cultuur volgens Keller. Maar over dat laatste had ik graag meer willen horen want daar wordt het spannend. Wat kunnen we dan leren, en hoe kunnen we onderscheiden waar God door Zijn Geest werkzaam is in de cultuur? En kan dat ons verstaan van ‘the gospel’ ook corrigeren? Zou het denkbaar zijn voor Keller om bijvoorbeeld zijn vrouwenstandpunt te heroverwegen vanuit deze open houding ten aanzien van de cultuur?

Reactie op ‘Het heilige gebeurt’

In mijn onderzoek naar de groei van evangelische kerken kwam ik een grote groep mensen tegen die afgehaakt zijn in de protestantse kerken. In de talloze interviews en gesprekken werd veel gesproken over ervaring en ontmoeting met God in evangelische kerken in tegenstelling tot de ervaring met de klassieke kerkdienst waar ‘het heilige juist niet gebeurde’.

Tijdens de studiemiddag ter gelegenheid van het boek van prof. dr. F.G. Immink ‘Het heilige gebeurt‘ (30 sept. 2011) heb ik in mijn lezing drie stellingen naar voren gebracht: (1) de kerkdienst als  performance omvat meer dan taal (2) participatie tijdens de kerkdienst is niet vanzelfsprekend en (3) de kerkdienst staat niet langer centraal in het godsdienstig leven van gelovigen maar is een optie geworden.

Bekijk mijn reactie hier online.

Nominatie Junior Societal Impact Award

De aandacht voor mijn proefschrift is nog niet voorbij. Mijn onderzoek is genomineerd voor de junior Societal Impact Award 2011 namens de faculteit Sociale Wetenschappen en is geëindigd bij de top 3 nominaties van de Vrije Universiteit Amsterdam. Op 20 oktober a.s. wordt de winnaar tijdens de Dies Natalis bekend gemaakt. In de Advalvas van 6 oktober jl. is uitgebreid aandacht besteed aan de genomineerden.

Kansen en bedreigingen van de kerkdienst

Studiedag PThU vrijdag 30 september 2011

De kerkdienst staat onder druk. Met haar nadruk op herhaling en continuïteit en haar aandacht voor ‘trage vragen’ biedt de kerkdienst niet de onmiddellijke ervaring en intense beleving die veel mensen tegenwoordig zoeken. Daarnaast worden aan de zondagse samenkomst steeds hogere eisen gesteld: voor gelovigen is de kerkdienst meer dan ooit de plek waar ‘het moet gebeuren’. Hoe kunnen kerk en theologie het beste omgaan met deze druk? Dat is de centrale vraag bij de studiedag ‘Het heilige gebeurt’ van de Protestantse Theologische Universiteit (PThU), die op vrijdag 30 september in Doorn plaatsvindt.

De studiedag vindt plaats naar aanleiding van de verschijning van Het heilige gebeurt; theologie en traditie van de protestantse kerkdienst (Boekencentrum, Zoetermeer, 2011) van prof.dr. Gerrit Immink. Sprekers zijn prof.dr. Marcel Barnard (PThU), prof.dr. Gerrit de Kruijf (PThU), dr. Miranda Klaver (VU/CHE), dr. Ciska Stark (PThU/VU), dr. Bert de Leede (PThU), ds. Ronelle Sonnenberg (PKN), ds. Bert Schroten (PKN) en Immink zelf.

De studiedag, die met name is bedoeld voor predikanten en andere theologen, begint om 13.30 uur en eindigt om 17.00 uur met een borrel.

Aanmelding via de website van de PKN

 

Pers en Publiciteit

Geschreven pers:

6 oktober 2011 Advalvas Nominaties Societal Impact Award VU 2011

1 oktober 2011 Nederlands Dagblad ‘het heilige gebeurt niet altijd in de kerkdienst

1 oktober 2011 Reformatorisch Dagblad ‘Voor velen gebeurt het heilige niet

17 september 2011 EO Visie 19 column Andries Knevel, “Zingen en eten, en de preek dan?”

15 juli 2011 Centraal Weekblad “Miranda Klaver verklaart aantrekkingskracht van evangelische kerken: geheim ligt in zelf meedoen en beleving”.

9 juli 2011 Nederlands Dagblad, Commentaar Koert van Bekkum “Ritueel”

1 juli 2011 Reformatorisch Dagblad “Emoties spelen een grote rol bij bekering evangelischen

30 juni 2011 Friesch Dagblad “Meer dan alleen een Opwekkingslied”

29 juni 2011 Nederlands Dagblad “Bekering na een mooi lied”

22 juni 2011 Trouw “Muziek is voor bekeerling belangrijker dan preek”

RADIO

3 september 2011 EO radio 5, Andries Radio Interview hier online als podcast te beluisteren.

2 juli 2011 EO radio 5, EO.nl Zaterdag: luister hier online het radiofragment vanaf 63.00 minuten

25 juni 2011 EO radio 5, Deze Week, paneldiscussie over “This is my Desire”:  Geloof kan niet zonder beleving.

Dissertatie ‘This is my Desire’

Het succes van evangelische kerken is opmerkelijk tegen de achtergrond van de neergang van gevestigde kerken in de Nederlandse laat-moderne samenleving. Dit boek is een weergave van een etnografisch onderzoek naar de ervaringen van nieuwkomers in twee typen kerken: een laagdrempelige evangelische kerk en een pinksterkerk. Beide kerken benadrukken persoonlijke bekering maar verschillen in hun opvattingen over de betekenis van de Heilige Geest in het leven van de gelovige, de kerk en de wereld. De vergelijking tussen de bekeringservaringen van nieuwkomers en de bekeringsstrategieën van elke kerk, werpt nieuw licht op fundamentele verschillen binnen het Nederlands evangelicalisme. Deze kwalitatieve studie laat ook zien dat een cognitieve benadering van religie ontoereikend is en introduceert een semiotische benadering met aandacht voor lichamelijkheid, emoties en verlangens. Dit resulteert in een analyse van evangelische gebouwen, muziek en taal in bekeringsprocessen in beide kerken. Een belangrijke uitkomst van deze studie is dat de wijze waarop religie geleerd wordt, in hoge mate plaats vindt door participatie in religieuze praktijken zoals de Alpha cursus en de doop door onderdompeling. Daarmee onderstreept deze studie de noodzaak van een meer zintuiglijke en lichamelijke benadering van religie teneinde de aantrekkingskracht van evangelische kerken te begrijpen.

Het boek wordt uitgegeven door Amsterdam University Press

Lees hier de inhoudsopgave  en de uitgebreide Nederlandse samenvatting.